Blogs van advocaten
in Amsterdam

Agent heeft recht op provisie na einde van de agentuurovereenkomst

Agent heeft recht op provisie na afloop van de agentuurovereenkomst

Een handelsagent heeft recht op provisie over gesloten overeenkomsten die door zijn bemiddeling tussen de principaal en de derde tot stand komen. 
Heeft een handelsagent ook aanspraak op provisie over deals die na het einde van de agentuurovereenkomst zijn gesloten?
 

Recht op provisie 

De handelsagent heeft op grond van art 7:431 lid 2 BW recht op provisie voor de voorbereiding van na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten. Dit geldt alleen voor:
 
a) overeenkomsten die hoofdzakelijk aan de tijdens de agentuurovereenkomst door de handelsagent verrichte werkzaamheden zijn te danken en binnen een redelijke termijn na het einde van de agentuurovereenkomst gesloten zijn, of;
b) indien de handelsagent of de principaal, overeenkomstig de voorwaarden bepaald in het eerste lid van art 7:431 BW, de bestelling van de derde heeft ontvangen voor beëindiging van de agentuurovereenkomst.  

Welke overeenkomsten geven recht op provisie na het einde van de agentuurovereenkomst?

Wanneer voldaan is aan bovengenoemde vereisten, heeft de agent recht op de volledige overeengekomen provisie. Onduidelijkheid bestond over welke overeenkomsten precies recht geven op provisie. De Hoge Raad doorbrak die onzekerheid in een arrest van 27 april 1956, NJ 1956/300. Daarin heeft de Hoge Raad bepaald dat wanneer overeenkomsten tot verlenging of vernieuwing tot stand komen zonder de tussenkomst van de handelsagent, de handelsagent in principe geen recht op provisie heeft. Andere overeenkomsten in beginsel wel. 

Een ‘redelijke termijn’

De rechtbank Gelderland heeft op 18 maart 2014 (ECLI:NL:RBGEL:2015:2209) de ‘redelijke termijn’ waaraan art. 7:431 lid 2 BW refereert nader uitgelegd. In die uitspraak ging het over een handelsagent en principaal die in de agentuurovereenkomst waren overeengekomen dat de agent recht had op provisie wanneer binnen drie maanden na de beëindiging van de agentuurovereenkomst orders werden geplaatst. Ter discussie stond vervolgens de uitleg over deze contractuele termijn. De rechter oordeelde dat wat een redelijke termijn is, beoordeeld moet worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Volgens de rechter kan daarop het verkoopproces en de complexiteit daarvan van invloed zijn. 

Bewijs is cruciaal 

De stelplicht en - bij betwisting daarvan - de bewijslast komt voor rekening voor de handelsagent. De handelsagent moet concreet onderbouwen welke door hem verrichte werkzaamheden in het specifieke geval tot nieuwe overeenkomsten hebben geleid na het einde van de agentuurovereenkomst. Van essentieel belang is dat de agent zijn verrichte werkzaamheden dus verantwoordt en goed registreert. Ter bewijsvoering kan de agent bijvoorbeeld overleggen; principe akkoorden, getekende overeenkomsten, gedane toezeggingen en offerteaanvragen. 

Contractueel afwijken is niet mogelijk!

Van belang voor de praktijk is dat art 7:431 lid 2 BW een dwingendrechtelijke bepaling is. Dat volgt uit art 7:445 lid 1 BW. Partijen kunnen contractueel het recht op provisie voor na het einde van de agentuurovereenkomst tot stand gekomen overeenkomsten/orders dus niet uitsluiten. Dit geldt eveneens voor contractuele bepalingen die voorwaarden stellen ten aanzien van de termijn waarop de agent nog recht heeft op provisie na de beëindiging van de agentuurovereenkomst. De contractuele beperkingen/afwijkingen zijn op grond van art 3:40 lid 2 BW nietig. 

Advocaat voor agentuurrecht

Mocht u naar aanleiding hiervan vragen en/of opmerkingen hebben, neem dan gerust contact op met advocaat voor agentuurrecht mr. Lisa Jie Sam Foek (020 52 10 100).
 

Categorie├źn

Juridisch actueel

Movie

Contact form