Blogs van advocaten
in Amsterdam

Hoge kosten procedure terugvorderen, kan dat?

Hoge kosten procedure terugvorderen, kan dat?

Procederen is in Nederland kostbaar en een kostenveroordeling in een rechtszaak dekt de werkelijke kosten niet. Als advocaat procesrecht probeert Jasper Hagers soms een hogere proceskostenveroordeling te vragen, omdat daar in de procedure aanleiding voor is.Rechters gaan daar meestal terughoudend mee om, maar steeds vaker wordt rekening gehouden met de proceshouding.

De advocaatkosten komen bij het winnen van de procedure helaas niet voor vergoeding in aanmerking. Dit is alleen anders in procedures waarin het gaat om intellectueel eigendomsrecht en letselschade. Echter, in sommige gevallen is de proceshouding van een partij aanleiding voor de rechter om af te wijken van de normale proceskostenveroordeling en deze als het ware te straffen voor onredelijk gedrag. Dat gebeurt nog wel eens als er in strijd met de waarheid wordt verklaard en/of in bijzondere gevallen.

Zo ook in het geval bij een kantonrechter en het Incassobureau Direct Pay. In plaats van de gebruikelijke proceskostenveroordeling van EUR 60,-, moest Direct Pay EUR 1.600,- betalen.

Waarom hogere proceskosten?

Waar ging het hier om? In deze procedure zou een persoon een telefoonfrontje van een Samsung Galaxy S4 hebben gekocht van een bedrijf. Dit frontje zou EUR 115,39 hebben gekost. Het bedrijf heeft een ingebrekestelling verzonden, waarbij tevens EUR 25,- aan sommatiekosten in rekening is gebracht. De klant geeft aan dat hij helemaal niets heeft besteld. Zo stuurt hij per mail:

“Ik ontving bijgaande stukken. Ik heb niets besteld. Een geval van oplichting …?”

De klant voert vervolgens met het bedrijf een uitvoerige e-mailwisseling, waarbij de klant herhaaldelijk aangeeft dat hij het frontje niet heeft besteld, maar het wel heeft ontvangen, ondanks dat hij niet eens een Samsung Galaxy heeft. De klant heeft uiteindelijk het pakketje aangetekend retour gezonden. De kosten voor het retour zenden heeft de klant ook vergoed gekregen. Vervolgens heeft Direct Pay (de incasso-gemachtigde van het bedrijf) niettemin gesteld dat de klant alsnog EUR 115,39 moest betalen. De klant geeft duidelijk aan dat er geen vordering meer kan zijn. Zoals afgesproken met het bedrijf, is het telefoonfrontje retour gezonden en heeft de klant zelfs de kosten voor dat retour zenden terugontvangen. Er is dus geen vordering meer. De e-mailcorrespondentie tussen de klant en het bedrijf wordt verstuurd aan Direct Pay, die ondanks de inhoud daarvan toch doorgaat in een brief met kennelijk niet malse inhoud. Zo overweegt de rechter:

“daarbij agerend tegen de afdreiging in een niet-ondertekende brief d.d. 17 december 2016 met aangekondigde buitenproportionele maatregelen.”

Hoe werd deze procedure gevoerd?

Direct Pay was de procedure begonnen met een dagvaarding, waarin aanvankelijk werd gevorderd betaling van een geleverd telefoonfrontje (ad EUR 115,39), vermeerderd met rente en EUR 40,- buitengerechtelijke kosten. Na schriftelijk te hebben gereageerd, heeft Direct Pay de kantonrechter verzocht dat zij de zaak intrekt en verzocht om de procedure door te halen. Echter, de klant voert terecht aan dat hij niet kan instemmen met doorhaling en vraagt om een proceskostenveroordeling. Daarbij heeft de klant duidelijk aangegeven dat hij dit soort praktijken stuitend en maatschappelijk ontoelaatbaar acht. De klant voerde daarbij aan dat Direct Pay wist dat het telefoonfrontje aan het bedrijf was geretourneerd en dus ook wist dat er geen vordering meer was en willens en wetens heeft geprobeerd om onder afdreiging van een procedure betaling te krijgen, voor een vordering die helemaal niet meer bestaat.

De kantonrechter is niet mals. Zo geeft de kantonrechter aan:

“Daarbij zijn verschillende incassobureaus ingeschakeld die – hoewel het oorspronkelijke factuurbedrag slechts EUR 115,39 bedroeg – onder meer dreigen met in rekening brengen van de kosten voor beslaglegging van minimaal EUR 600,-. Het op deze (intimiderende) wijze onder druk zetten van een consument door met hoge kosten en een negatieve registratie (met alle gevolgen van dien) te dreigen is op zichzelf al onacceptabel. Daarbij komt, dat het standpunt dat de rechtsvoorgangster van Direct Pay inneemt, namelijk dat gedaagde het pakketje zou moeten betalen omdat hij dit ontvangen heeft en in bezit heeft, feitelijk neerkomt op de agressieve handelspraktijk als omschreven in artikel 6:193i, sub f BW, namelijk het vragen om betaling van een product waar de consument niet om heeft gevraagd. Een dergelijke handelwijze is bijzonder laakbaar. Direct Pay heeft verder op geen enkele wijze aangetoond dat gedaagde het pakje heeft besteld.”

De rechter overweegt ook dat Direct Pay wist dat het telefoonfrontje als was geretourneerd en dat Direct Pay, ondanks dat, doorging met procederen. Dat levert misbruik van procesrecht op. Zo overweegt de rechter ook nog eens:

“Deze handelwijze is zeer kwalijk, in het bijzonder omdat de ervaring leert dat menig schuldenaar bij bedreiging met hoge kosten in een procedure de vordering betaalt of verstek laat gaan, en in sommige gevallen geheel ten onrechte tot betaling van zowel de hoofdsom als de incassokosten overgaat.”

Voorts overweegt de rechter dat Direct Pay (zoals in de inleiding ook al aangegeven) in strijd heeft gehandeld met de waarheidsplicht. Zo overweegt de rechter:

“Zij heeft zelfs expliciet gesteld dat gedaagde niet heeft gereageerd “waardoor een eventueel verweer in rechte tardief dan wel op zijn minst discutabel zou zijn”. Daarmee heeft Direct Pay gehandeld in strijd met artikel 21 Rv. en de kantonrechter misleid. De kantonrechter mag dit ambtshalve beoordelen en daaraan de gevolgen verbinden die overeenstemmen met de aard en de ernst van deze schending.”

In plaats van een maximale proceskostenveroordeling in dit geval van EUR 60,-, veroordeelt de rechter Direct Pay tot betaling van EUR 1.600,-.

Dit is wel een uitzonderingsituatie, maar er zijn ook andere gronden waarop een hogere proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken. 

Wanneer hogere proceskosten veroordeling?

In rechtspraak komen de volgende situatie voor wanneer er een hogere proceskostenveroordeling wordt toegewezen:

a) onwaarheden, liegen, bedriegen en simuleren;

(b) kansloos procederen (geen belang; geen (deugdelijke) onderbouwing);

(c) kansloze stellingen en verweren;

(d) overdreven hoge vordering (in geen enkele verhouding);

(e) overbodig of prematuur proces (wederpartij bleek bijvoorbeeld al betaald te hebben);

(f) late stellingen en feiten;

(g) laat inbrengen van bewijsstukken;

(h) late verandering of vermeerdering van eis;

(i) onvoorbereid, ondeugdelijk vertegenwoordigd of niet verschijnen ter zitting;

(j) het weigeren om bewijsstukken over te leggen;

(k) fishing expedition;

(l) overbodige processuele verrichtingen.

Komt een van bovenstaande gronden u in een procedure bekend voor? Aarzel dan niet om (vrijblijvend) contact op te nemen met advocaat Jasper Hagers

 

Categorie├źn

Juridisch actueel

Movie

Contact form