Blogs van advocaten
in Amsterdam

Het non-concurrentiebeding in franchiseovereenkomsten

Het non-concurrentiebeding in een franchiserelatie

Vaak spreken een franchisegever en franchisenemer een non-concurrentiebeding af.
Alvorens de franchiseovereenkomst wordt gesloten, deelt de franchisegever vaak gevoelige bedrijfsinformatie en opgebouwde knowhow met de franchisenemer. Zonder non-concurrentiebeding bestaat het risico dat franchisenemer na afloop van de franchiseovereenkomst de informatie gebruikt en daarmee concurrerende activiteiten ontplooit. Om die reden zal een franchisegever vaak een post-contractueel non-concurrentiebeding willen afspreken. 
 
Hoe kan zo’n non-concurrentiebeding in een franchiserelatie door een franchisenemer worden aangetast?

Beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid 

Er kan een beroep worden gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). De franchisenemer zal dienen te stellen en te bewijzen dat het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij aan het desbetreffende non-concurrentiebeding wordt gehouden. Dit is een zware toets. Uiteraard zijn daarbij alle omstandigheden van het geval van belang. Daarbij kan worden gedacht aan de looptijd van de franchiseovereenkomst, de duur en de omvang van het non-concurrentiebeding, de activiteiten die een franchisenemer feitelijk gedurende de franchise heeft uitgevoerd, alsmede de persoon van de franchisenemer zelf. De gevolgen van nakoming van het non-concurrentiebeding spelen uiteraard ook een rol, zoals het verstoken blijven van inkomsten en het ontbreken van mogelijke alternatieven om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. 

Onredelijk bezwarend beding 

Ook kan een beroep worden gedaan op artikel 6:233 lid 1, sub a BW. Hierin is bepaald dat een beding in de algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Er kan gesteld worden dat een post-contractueel non-concurrentiebeding valt te kwalificeren als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 lid 1, sub a BW.
 
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 februari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:1180) bevestigd dat concurrentiebepalingen in franchiseovereenkomsten veelal niet de kern van de overeenkomst betreffen en derhalve als algemene voorwaarde gekwalificeerd kunnen worden. 
 
Voor de beoordeling of een non-concurrentiebeding onredelijk bezwarend is, zijn onder meer van belang de aard en overige inhoud van de franchiseovereenkomst, de wijze waarop het non-concurrentiebeding tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen, de mate van deskundigheid en rechtskennis. Opgemerkt dient te worden dat in de franchiserelatie vaak professionele partijen tegenover elkaar staan. Dit brengt mee dat er een iets zwaardere toets zal plaatsvinden in vergelijking tot de consument. In het verlengde daarvan zal een concurrentiebepaling minder snel onredelijk bezwarend zijn. Wordt door de rechter geconcludeerd dat een beding onredelijk bezwarend is, dan kan franchisenemer het beding vernietigen. 

Vernietiging op grond van dwaling

Een geslaagd beroep op dwaling heeft vertrekkende gevolgen. Een overeenkomst wordt dan immers geacht nooit te hebben bestaan, inclusief de bepalingen in de franchiseovereenkomst. Zodoende kan een franchisenemer bewerkstelligen dat een non-concurrentiebeding buiten werking wordt gesteld. In de praktijk komt het echter regelmatig voor dat een exploitatieprognose, die door de franchisegever aan de franchisenemer is verstrekt, fouten bevat of bijvoorbeeld veel te rooskleurig is. De exploitatieprognose is dan ondeugdelijk te noemen, waardoor een franchisenemer onder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gecontracteerd. Zou deze franchisenemer een juiste voorstelling van zaken hebben gehad over de rentabiliteit van de te starten onderneming, dan zou hij de franchiseovereenkomst nooit hebben gesloten. De franchisenemer heeft in dat geval gedwaald en kan een beroep doen op vernietiging. 
 
In 2002 heeft de Hoge Raad een beroep op dwaling aangenomen. De Hoge Raad overwoog in dat kader dat de franchisegever een ondeugdelijke exploitatieprognose had gekregen waardoor hij onder een onjuiste voorstelling van zaken heeft gecontracteerd. Het was daarbij niet van belang of de fouten in de prognose zijn toe te rekenen aan de franchisegever zelf, dan wel aan een derde, zoals een adviesbureau. De overeenkomst werd vernietigd, waaronder ook het non-concurrentiebeding. 

Advocaat franchiseovereenkomst en non-concurrentiebeding

Mocht u naar aanleiding van deze blog over advies willen over franchiseovereenkomsten, al dan niet in relatie tot non-concurrentiebedingen, of heeft u een non-concurrentiebeding waarvan u, indien mogelijk, af wilt, dan kunt u vrijblijvend contact opnemen met advocaat franchiseovereenkomst en non-concurrentiebeding mr. Lisa Jie Sam Foek (020 52 10 100). 
 

Categorie├źn

Juridisch actueel

Movie

Contact form