Wet bestuur en Toezicht Rechtspersonen: Wettelijke aansprakelijkheid van toezichthouders

Op 1 juli 2021 zal de Wet bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) in werking treden. De wet is met name bedoeld om bestuur en toezicht van verenigingen en stichtingen te verbeteren en daarmee te voorkomen dat wanbestuur, onverantwoordelijk financieel beheer, zelfverrijking, misbruik van posities en andere ongewenste activiteiten verenigingen en stichtingen kunnen schaden. In deze tweede blog in de reeks over dit onderwerp, gaat advocaat Olivier Bergh in op de wettelijke aansprakelijkheid van toezichthouders onder de WBTR.

Lees hier deel 1 van deze blogreeks, waar wordt uitgelegd wat er door de WBTR per 1 juli 2021 wijzigt.

Met de inwerkingtreding van de WBTR staan er op het gebied van de aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders van stichtingen en verenigingen een aantal wijzigingen gepland. Niet elke wijziging die de WBTR met zich meebrengt betekent ook daadwerkelijk een verandering in de praktijk. Zo wordt er met de WBTR een grondslag in de wet opgenomen die het voor stichtingen en verenigingen mogelijk maakt om een toezichthoudend orgaan op te zetten. Bij de kapitaalvennootschappen kennen we de twee gangbare opties in de vorm van een Raad van Commissarissen of een one-tier board.

Praktijk

In de praktijk brengt dit, naast dat er vanaf de invoering een wettelijke verankering is, weinig veranderen met zich mee. Een (groot) aantal verenigingen en stichtingen hebben in de praktijk al een intern toezichtsorgaan. Hierbij valt onder andere te denken aan een Raad van Toezicht. Wat deze verankering wél teweegbrengt is dat er getracht wordt meer duidelijkheid te verschaffen over de (juridische) kwalificatie van dit toezichtsorgaan, nu deze in de wet is opgenomen.

Duidelijkheid

Met de invoering van de WBTR komt er dus een wettelijke verankering van de toezichthoudende organen bij verenigingen en stichtingen. Dit zal een verandering meebrengen met betrekking tot de aansprakelijkheid van toezichthouders. Het ontbreken van de grondslag maakte dat er in de literatuur verschillend tegen de interne aansprakelijkheid van toezichthouders werd aangekeken. Een toezichthouder kon al aansprakelijk worden gesteld via een onrechtmatige daad vordering, maar nog niet via de vennootschapsrechtelijke weg. Met de invoerring van de WBTR komt hier dus verandering in. De gevolgen hiervan zullen niet direct merkbaar zijn, wel wordt door de wetgever beoogd op deze wijze meer duidelijkheid te verschaffen.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Een van de punten waar zeker duidelijkheid over komt is het aansprakelijkheidsrisico van de toezichthouders. Het uitgangspunt zal zijn dat alle leden van het toezichthoudende orgaan hoofdelijk aansprakelijk zullen zijn. Dit houdt in dat alle toezichthouders in beginsel aansprakelijk zullen zijn voor de daden van de andere individuele leden. Er is echter wel een mogelijkheid om deze wettelijke aansprakelijkheid die een individuele toezichthouder draagt af te wenden. Een individuele toezichthouder dient dan aan te tonen dat hem in deze geen verwijt kan worden gemaakt. Het bewijsrisico ligt dan echter bij dit individu.

Meer informatie over dit onderwerp? Lees hier deel 1 van de blogreeks over de WBTR.

Gepubliceerde Artikelen